Dictionary
› to argue
„to argue" in Dutch
How do you say "to argue" in Dutch?
to argue
→
Argumenteren
/ˈɑːɡjuː/
Phrases · 6
- Argue→Argumenteren
- argue→ruzie maken
- argue→beargumenteren
- to argue against→tegen argumenteren
- to strongly argue→sterk argumenteren
- to argue a lot→veel ruziën
Example sentences · 24
- Don't argue. → Geen ruzie maken.
- Don't argue with them. → Argumenteer niet met hen.
- My parents often argue. → Mijn ouders hebben vaak ruzie.
- I argue almost every day. → Ik maak bijna elke dag ruzie.
- We didn't argue our point. → We hebben ons punt niet beargumenteerd.
- Many children often argue. → Veel kinderen maken dikwijls ruzie.
- Tom and Mary sometimes argue. → Tom en Mary ruziën soms.
- Did they argue their point? → Hebben ze hun punt beargumenteerd?
- Knowing how to argue coherently is crucial. → Het is cruciaal om met samenhang te kunnen argumenteren.
- She didn't want to argue about the truth. → Ze wilde niet ruziën over de waarheid.
- She knows better than to argue with him. → Ze weet beter dan met hem in discussie te gaan.
- If we argue, we will drift. → Als we ruzie maken, zullen we afdrijven.
- They never argue about chores. → Ze ruziën nooit over klusjes.
- Did she never argue with him? → Heeft ze nooit met hem ruzie gemaakt?
- They don't argue about the housework. → Ze ruziën niet over het huishouden.
- It is not easy to argue without losing coherence. → Het is niet gemakkelijk om te argumenteren zonder de coherentie te verliezen.
- Can she argue persuasively under pressure? → Kan zij onder druk overtuigend argumenteren?
- We won't argue over that ever again. → We zullen daar nooit meer ruzie over maken.
- Alice grew weary to argue with Tweedledee and Tweedledum. → Alice werd moe van het ruzie maken met Tweedledee en Tweedledum.
- Why did they argue about such trifles? → Waarom maakten ze ruzie over zulke kleinigheden?
- I argue so that the voice is heard. → Ik argumenteer opdat de stem gehoord wordt.
- Did they often argue about small things? → Maken zij vaak ruzie over kleine dingen?
- She didn't argue with her brother yesterday. → Zij maakte gisteren geen ruzie met haar broer.
- If libraries talked, histories would argue. → Als bibliotheken spraken, zouden geschiedenissen ruzie maken.
See also
Learn "Argumenteren" forever
Taalhammer schedules reviews so you never forget. Add this word and practice it in the app.